Teerbeminden
Door hun eenvoudige, bijna elementaire vormgeving laten de drie gedaantes zich onmiddellijk herkennen. Drie figuren, gehuld in mantels met capuchons. Stil, gesloten en anoniem. In hun verschijning vormen zij een donker contrapunt tot de drie gratiën, die door de eeuwen heen in de kunstgeschiedenis werden verbeeld als personificaties van schoonheid, vreugde en geluk. Waar de drie gratiën zich openen naar het licht, lijken de teerbeminden zich juist terug te trekken in de schaduw. Hun aanwezigheid ademt duisterheid, onderdrukking en spanning. De zware mantels van dakleer, de zwarte huid en de monumentale schaal van de figuren versterken dit gevoel. Kwa grootte lijken ze menselijk. Herkenbaar en toch vervreemdend. Alsof drie onbekende wezens uit een andere werkelijkheid zijn neergedaald en zwijgend hun plaats in de ruimte hebben ingenomen.
Het ontstaan van de drie figuren begon niet bij een menselijk lichaam, maar bij het landschap. Tijdens een reis door de graanschuur van Noord-Frankrijk zag ik regelmatig boerderijen met kleine graanelevatoren. Hun ranke, gestileerde vormen deden mij denken aan vogels die op het punt stonden op te stijgen. Daaroverheen kwamen andere beelden te liggen: de hoge, hoekige kranen van de scheepswerven in Amsterdam-Noord. Industriële silhouetten die boven het landschap uitsteken en een bijna menselijke aanwezigheid krijgen. Vervolgens herinnerde ik mij de papieren pijltjes uit mijn jeugd, eenvoudige gevouwen vormen die we vroeger door elektriciteitsbuisjes schoten. Een vluchtige beweging, een puntige vorm, een richting.
Deze beelden begonnen zich met elkaar te vermengen.
Vogel.
Kraan.
Pijl.
Mens.
Uit deze associaties ontstonden langzaam de drie gedaantes: gestileerde figuren, losgemaakt van het natuurlijke lichaam. Ze lijken tegelijk te staan en te zweven, alsof ze ergens tussen mens, object en machine zijn blijven steken.
Het materiaal draagt zijn eigen geschiedenis met zich mee. Het gebruik van dakleer voert mij terug naar mijn opleiding tot docent beeldende vorming, waar ik binnen het kader van de textiele werkvormen ooit een mantel van dakleer heb vervaardigd. Sindsdien is de herinnering aan dat materiaal blijven hangen. Er is nauwelijks een diepere zwart denkbaar .Het dakleer absorbeert het licht en lijkt het bijna op te slokken. De stroken worden niet eenvoudigweg genaaid of gevormd, maar met vuur aan elkaar gehecht. Met een brander wordt het materiaal verhit, vervormd en verbonden. De vlam wordt daarmee niet alleen een middel om te construeren, maar ook een instrument om te tekenen. De hitte laat sporen achter in het oppervlak. De huid van de figuren ontstaat door het vuur zelf: ruw, grillig, geschroeid en onvoorspelbaar.
Ik noem het schilderen met een vlam. Niet de verf, maar het vuur schrijft hier het beeld. Laag voor laag ontstaat een zwarte huid, waarin licht slechts aarzelend wordt toegelaten. De figuren lijken daardoor niet zozeer bekleed, maar uit duisternis opgebouwd. Zo worden de teerbeminden niet alleen drie gedaantes in de ruimte, maar ook drie dragers van een spanning tussen schoonheid en beklemming, tussen mens en machine, tussen het herkenbare en het onbekende.
Maak jouw eigen website met JouwWeb